Samen een huis en trouwen na 1 januari 2018? Let op!

Heb je al samen een huis en besluit je te gaan trouwen? Dan is op jullie huwelijk sinds 1 januari 2018 de zogenoemde beperkte gemeenschap van goederen van toepassing. Meer informatie daarover kun je vinden in de column van mr. A. Dangremond op onze website.

Het nieuwe stelsel houdt onder meer dat de bezittingen en schulden die je voor het trouwen had van jezelf blijven.

Je zou zeggen dat je eigen aandeel in het huis dan ook van jezelf blijft als je gaat trouwen. In principe is dat ook zo; er zijn echter wel een paar ‘valkuilen’, die ik hierna aan de hand van twee (sterk vereenvoudigde) voorbeelden zal toelichten.

Voorbeeld 1, woning in eigendom voor verschillende breukdelen 

Sander en Ingrid hebben samen een huis gekocht voor € 200.000. Om het huis te kunnen betalen hebben zij een hypothecaire lening afgesloten bij de bank voor € 100.000. Ingrid heeft een schenking van  € 100.000 ontvangen en daarmee is de resterende 100.000 betaald.

Omdat Sander en Ingrid samen de lening zijn aangegaan, betalen zij samen in feite € 100.000 aan het huis, Sander € 50.000 en Ingrid € 50.000. Daarnaast betaalt Ingrid 100.000. In totaal betaalt Sander 50.000 (25%) en Ingrid 150.000 (75%).

In verband met deze ongelijke inleg hebben Sander en Ingrid bij de notaris laten vastleggen dat Sander voor 25% eigenaar van het huis wordt en Ingrid voor 75%.

Als Sander en Ingrid gaan trouwen, zou je zeggen: prima geregeld, Sander houdt zijn 25% van het huis en Ingrid haar 75%. Dat gaat echter niet op.

Sinds 1 januari 2018 wordt het huis door het aangaan van het huwelijk namelijk voor de helft eigendom van Sander en voor de helft van Ingrid.

Valt dit niet te voorkomen? Zeker wel, Sandra en Ingrid kunnen door de notaris huwelijksvoorwaarden laten opstellen waarin wordt vastgelegd dat het huis niet in de beperkte gemeenschap van goederen valt en (daardoor) voor 25% eigendom blijft van Sander en voor 75% van Ingrid.

Voorbeeld 2, woning in eigendom ieder voor de helft en een vergoedingsrecht

Sander en Ingrid hebben samen een huis gekocht voor € 200.000. Om het huis te kunnen betalen hebben zij een hypothecaire lening afgesloten bij de bank voor € 100.000. Ingrid heeft een schenking van  € 100.000 ontvangen en daarmee is de resterende € 100.000 betaald.

Omdat Sander en Ingrid samen de lening zijn aangegaan, betalen zij samen in feite € 100.000 aan de woning, Sander € 50.000 en Ingrid € 50.000. Daarnaast betaalt Ingrid 100.000. In totaal betaalt Sander 50.000 (25%) en Ingrid 150.000 (75%).

Sander en Ingrid hebben het huis ieder voor de helft in eigendom verkregen.

In verband met deze ongelijke inleg hebben Sander en Ingrid laten vastleggen (bijvoorbeeld in hun samenlevingscontract) dat Ingrid een vergoedingsrecht/vordering heeft op Sander van € 50.000 (de helft van het door haar ingebrachte bedrag). Verder is vastgelegd dat Ingrid dit bedrag terugkrijgt als zij uit elkaar zouden gaan of als het huis wordt verkocht.

Je zou zeggen: “Waarom een vergoedingsrecht van € 50.000 en niet van € 100.000?”.

Van de € 100.000 die Ingrid inlegt, is € 50.000 terug te voeren op haar eigen helft van het huis. Met de andere € 50.000 betaalt zij de helft van het bedrag dat door Sander was verschuldigd.

Als Sander en Ingrid gaan trouwen, zou je ook in deze situatie zeggen: prima geregeld, het huis blijft van Sander en Ingrid, ieder voor de helft en Ingrid houdt haar vordering van € 50.000 op Sander. Ook dat gaat echter niet op.

Het huis valt door het aangaan van het huwelijk in de beperkte gemeenschap van goederen. Anders dan in het eerste voorbeeld heeft dit geen gevolgen voor de eigendomsverhouding. Het huis was eerst gemeenschappelijk eigendom (ieder voor de helft) en blijft dat ook.

De vordering van Ingrid op Sander van € 50.000 was van haar en blijft ook na het aangaan van het huwelijk van haar.

De schuld van Sander aan Ingrid van € 50.000 valt echter in de beperkte gemeenschap van goederen omdat die schuld betrekking heeft op het huis dat al voor het trouwen gemeenschappelijk eigendom was.

Resultaat van het vorenstaande is dat van de vordering van Ingrid op Sander maar € 25.000 overblijft.

Ook dit valt te voorkomen door voorafgaand aan het trouwen door de notaris huwelijksvoorwaarden te laten opstellen. Daarin kan worden vastgelegd dat het huis niet in de beperkte gemeenschap van goederen valt, zodat Ingrid gewoon haar vergoedingsrecht van € 50.000 behoudt.

Voor meer informatie over dit onderwerp kun je contact opnemen met mr. A. Dangremond, mr. S. van den Brink of mr. M.X. van den Brink.

Gerelateerde blogs

Wilhelm marketing